Ze was met hem op vakantie gegaan. Nellie, met Cornelis. Met de tent nog wel. Hij had eerst wel wat bezwaren. ‘Vind ik zo primitief. Kunnen we niet gewoon in kleine hotelletjes, hoeven we niet zelf eten te maken, af te wassen, bedden op te maken, kunnen we lekker naar een verwarmde WC op de kamer, niet met zo’n sneue pleerol in je hand langs nieuwsgierige toeschouwers.’ Maar ze had vol gehouden, of zo of niet. Hadden haar vrienden het niet altijd gezegd, als je het met een nieuwe lover veertien dagen in een tentje volhoudt, kan je het vele jaren volhouden.
Ze was negenendertig nu en nog steeds zonder vaste partner. Als ze in de spiegel keek en dat deed ze de laatste tijd wat frequenter dan tien jaar geleden, vond ze dat eigenlijk niet terecht. Ze zag een slanke, lange vrouw, een vrolijk open gezicht. Zelf vond ze het eigenlijk wel vreemd dat ze geen vent om haar heen had die gek op haar was en die met haar oud wilde worden. Of beter, om met Peter van Straaten te spreken, jong met haar wilde blijven. En veel van haar vrienden en vriendinnen vonden dat met haar.
En nou kende ze hem alweer zes maanden, Cornelis. Wat excentriek vond ze het dat hij zijn naam zo onverkort wilde horen, dus beslist geen Cor of Ko of het onverdraaglijk Nelis, maar voluit, Cornelis. En verder was hij haar tegendeel in levensstijl en interesses. Zijzelf, deeltijdlerares kunstvormen, woonde in en was gek op de landelijke omgeving in de Randstad, nogal ongeorganiseerd, spiritueel, zeer gevoelig voor geluiden, vrijmoedig en open. Gek op ‘aards’ eten zoals uien, kool, fruit, bruin brood en Franse kazen. En niet te vergeten knoflook. Haar moeder had ooit een door anderen gewaarschuwde controleur van het gasbedrijf weggestuurd met de opmerking; ‘Ga maar weer, er is geen gaslek, mijn dochter Nellie is langs geweest.’
En dan Cornelis, echt stadsmens, Amsterdammer en gek op zijn huis bij het Rembrandtplein, van beroep planner in het hoger beroepsonderwijs, nuchter, afwachtend, in zijn spaarzame vrije tijd liefhebber van drukke terrasjes in de binnenstad. Hij was een paar jonger dan zij en had al twee mislukte relaties achter de rug, zonder dat daar kinderen bij betrokken waren en daar deed hij nogal gemakkelijk over vond ze.
‘Ach, het paste niet en dat vond die ander ook, nou en? Over en uit.’
Na een jaar van beroepsmatig plannen moest hij er echt voor een paar weken uit en zij wilde hem wel mee hebben, maar met de tent. En ja, wonder boven wonder had hij zich geschikt.
En nou zaten ze in de buurt van Orange in Frankrijk op een kleine boerencamping en het was al twee weken koud en het waaide hard en alles was nat en wat nu.
Ze hadden er toch alle twee de moed ingehouden en toen zei praktische Cornelis; ‘Nou gaan we lekker lang allerlei onnodige inkopen doen in een van die grote supermarkten, die Carrefour in Orange, daar is het warm, er is een goeie cafetaria en daarna zien we wel.’
Nellie keek hem verrukt aan, ‘onnodige inkopen’ en ‘daarna zien we wel’. Lekker, laat maar eens gaan dus, alles wat na dat ‘daarna’ komt hoeven we lekker niet te regelen, te organiseren.
In de wat rommelige hoop kleren ergens achter in de tent zocht en vond ze een warme trui. Het was er een van Cornelis, maar het gaf een extra dimensie aan hun intimiteit. Ze droeg ineens als vanzelfsprekend zijn kleren, het voelde prettig aan.
Na de camping en de autorit door de landelijke omgeving van Orange toonde de ingang van de enorme supermarkt erg futuristisch. Ontspannen wandelden ze naar binnen, door een van de vele poortjes, de weldadige warmte viel als een deken over hen heen.
Ze sprong dan ook een gat in de lucht toen ze bij het passeren van het ingangspoortje een snerpend alarm hoorde afgaan. Twee geüniformeerde veiligheidsfunctionarissen snelden toe. ‘Madame, s’il vous plaît?’
Verbaasd en verontrust, ze had nooit enig vertrouwen gehad in elektronische systemen, gaf ze haar tas en sleutels voor controle af en wandelde opnieuw door het poortje. Weer dat irritante geluid. Cornelis stond al binnen en grijnsde, vervelende kerel! Een vrouwelijke employé slenterde nu naderbij en keek vragend naar mannelijke collega’s. Maar die schudden het hoofd en vroegen Nellie haar bril eens af te zetten. Maar de elektronische speurneus gaf waar voor zijn geld en opnieuw luidkeels alarm. Nellie begon zich vreselijk opgelaten te voelen, er ontstond al een klein oploopje en de meewarige blikken van enkele duidelijk Nederlandse toeristen joegen haar de kleuren naar de wangen.
Maar nu kwam Cornelis haar te hulp, sloeg een arm om haar heen en fluisterde in haar oor; ‘Kijk die trui eens na.’
Ze draaide ze het ding alle kanten op en voelde ergens in de zoom een rechthoekig plaatje. ‘Verrek,’ dacht ze, ’een kaartje van de Hema, zo’n pesterig controleplaatje, waarvan kennelijk beveiligingssystemen op hol slaan, waarom heeft hij die er niet uitgeknipt!’
De controleurs van de Carrefour waren erg correct en meelevend. Ze zagen duidelijk geen crimineel in haar. Er werd een klein schaartje aangevoerd en het Hemakaartje werd heel voorzichtig uit de trui verwijderd. Het probleem was opgelost. De elektronische waakhond hield zich eindelijk koest. Cornelis nam haar hand en samen wandelden ze met opgeheven hoofd langs de zo te zien wat teleurgestelde toeschouwers de eindeloze koopgangen in. Even later stond ze zonder iets te zien stil voor de schappen met mosterd. Cornelis kwam achter haar, streek haar zacht over de haren en vroeg, ‘Word je al wat warmer?’
Nellie wilde op de terugweg persé nog even langs de Abdij van St Jean d’Enfer. Even iets anders dan regen, kou, boodschappen, elektronica, beveiligingsbeambten, verkeer ….. . Even een gevoel van bezinning, even stilte, even niks.
Cornelis wandelde achter haar aan toen zij wat beschroomd de donkere kapel binnenstapte. De ruimte, spaarzaam verlicht door het grijze buitenlicht via glas-in-lood ramen, was leeg en koel.
Maar plotseling was rondom haar het geluid van dreunende kerkklokken. In paniek sloeg ze haar handen voor de oren. Had ze nu weer…..? Oh, lieve Heer…?
Toen hoorde ze van ver door het gebeier heen de stem van Cornelis ‘Ach meisje’, kom mee, je hebt niets fout gedaan. Het is vijf uur, de vesper of zo. Je hoeft je trui niet uit te doen.’ En hij sloeg zijn armen om haar heen.
Weer in de tent volgde een zoete nacht.
Die avond besloten ze naar Nederland terug te rijden. Nellie wist het zeker, ze wilde het wel proberen. Hij ook.
Marius.